Bij het bemesten van grasland maak je dezelfde overwegingen als voor bouwland (teelt), op grond van biologische principes, nutriëntenbehoefte van het gewas en regels voor de biologische landbouw en algemene mestwetgeving. Die overwegingen pakken voor een biologisch veebedrijf wel iets anders uit dan voor een teeltbedrijf. De algemene overwegingen en basiskennis vind je in paragraaf 3.1. Samengevat:
...
Een biologisch veebedrijf is behalve gebruiker ook producent van mest. Behalve heel extensief werkende bedrijven voeren biologische veebedrijven altijd een deel van de mest af naar biologische akker- en tuinbouwbedrijven (of, op een gemengd bedrijf, naar de plantaardige tak van hetzelfde bedrijf). Hoe en hoeveel, dat zijn belangrijke vragen.
Uitgangspunt is immers kringlooplandbouw: een zoveel mogelijk gesloten kringloop als grondslag voor biologisch werken. Dat betekent een input van teelt naar vee (voedergewas, reststromen, stro e.d.) en een output van vee naar teelt (mest en andere restproducten voor bemesting). Dat is herkenbaar in de regels:
- ten minste 65% 70% van de aangevoerde mest naar teelt is van biologische herkomst ,
- 100% van de afgevoerde mest vanuit vee moet naar naar biologische teelt (ofwel: biologische veebedrijven mogen mest alleen naar biologische bedrijven afzetten).
Uit het verschil (aanvoer van vee naar teelt minimaal 65% 70% van biologisch, afvoer van vee naar teelt 100% naar biologisch) is al te zien dat de kringloop nu nog niet sluit: er is nog gebrek aan biologische mest voor de teelt. Het percentage te gebruiken biologische mest voor teelt zal geleidelijk worden verhoogd: in 2020 al naar 70%, idealiter uiteindelijk naar 100%. Dan sluit de kringloop echt ! De BD-landbouw gaat overigens nu al van 100% biologische mest uit (zie hieronder).
Hoeveel moet worden afgevoerd (en mag worden aangevoerd naar teelt) wordt bepaald door de regels:
- gebruik van maximaal 170 kgN/ha uit dierlijke mest (algemene regel, ook voor gangbaar); voor BD is dit 112 kgN/ha (zie hieronder)
- en de 65%70%-100% aan-afvoer biologisch (zie hierboven).
...
- of een gemengd bedrijf met vee en teelt waarbinnen alle mest op eigen bedrijf wordt gebruikt. Een veebedrijf met eigen voederteelt geldt niet als ‘gemengd’; een gemengd bedrijf omvat ook een stuk akkerbouw en/of tuinbouw;
- of een, liefst vaste, relatie tussen het veebedrijf en één of meer teeltbedrijven waarin de aan- en afvoer is afgesproken. Dit liefst geregeld in een mestcontract of samenwerkingsovereenkomst (verplicht voor BD-veehouders die afvoeren);
- of een goed functionerende ‘markt’ voor de uitwisseling tussen plantaardige en dierlijke bio-bedrijven. Bedrijven kunnen daar op basis van aanbod en vraag uitwisselen. Bionext faciliteert dit met de Biobank https://bionext.nl/biobank/, waar aanbiedende en afnemende bedrijven elkaar kunnen vinden. Er zijn ook zogenaamde intemediairs / mesthandelaren die hierin voorzien.
...
- Loopstallen met roostervloeren leveren alleen drijfmest: urine en faeces komen samen in de mestkelder. Er komt geen of weinig strooisel mee, dus de C/N-verhouding is laag.
- Potstallen (en moderne varianten daarop) leveren vaste en ‘ruige’ strooiselrijke mest: urine, faeces en stro (of ander instrooi-materiaal) vormen samen een vaste, composteerbare, mest met een hoge C/N-verhouding. Meestal wordt ook een deel van de mest als drijfmest gewonnen (b.v. van de looppaden en uit de melkstal.
- Nieuwe stalsystemen met scheiding van dunne en dikke fractie. Deze maken het mogelijk de dunne fractie (vooral stikstofrijk) en dikke fractie (vooral fosfaatrijk) verschillend in te zetten. Er komt weinig of geen strooisel mee, dus de C/N-verhouding is laag (wel is .de dikke de dikke fractie van biologisch gehouden dieren wat dikker, met een hoger organische stofgehalte, in vergelijking met gangbaar vanwege de relatief hoge ruwvoeropname in bio).
...
Drijfmest en vaste/ruige mest hebben op het eigen grasland verschillende toepassing (dit geldt uiteraard alleen als er een keuze is, dus niet als er alleen drijfmest wordt geproduceerd). . Vaste mest mag ook eerder in het seizoen worden uitgereden dan drijfmest (zie schema hieronder). Drijfmest kan ook later in het seizoen worden uitgereden op de maaipercelen.
...
Er zijn ook boeren die (een deel van) de koemest afvoeren en mest uit de varkenshouderij aanvoeren en gebruiken. Varkensmest is relatief rijker aan P. Tot en met 2019 geldt ook voor de weidebedrijven de regel dat aangevoerde mest voor 65% van biologische herkomst moet zijn (en er dus nog 35% uit de gangbare veehouderij mag worden aangevoerd. Dit mag alleen van bedrijven met weidegang, dus niet uit de -intensieve- varkenshouderij). Ingaande 2020 is dat niet meer toegestaan. Tegenover Ingaande 2020 moet tegenover afgevoerde mest (100% naar biologische teelt) kan dan alleen aangevoerde mest van 100% biologische herkomst staan. Aanvoer van mest uit de biologische varkenshouderij is zo dus wel mogelijk.
Het is verder mogelijk aanvullend minerale meststoffen (niet: mineraal gebonden N) te gebruiken. Niet-stikstofleverende minerale meststoffen mogen worden gebruikt als aanvullende bemesting voor P, K, Ca en sporenelementen. SKAL publiceert een lijst met de hiervoor toegestane mineralen (op de zgn. B-lijst, zie verder par. 2.2). Vooral op gronden die van nature niet rijk zijn aan nutriënten kan een structureel tekort optreden. Dit kan worden onderzocht aan de hand van de berekening van levering en behoefte aan nutriënten in de specifieke bedrijfssituatie (zie voor de hoofdlijnen par. 3.1; in de praktijk zal hiervoor bodem- en mestanalyse en advies door een gespecialiseerd bedrijf nodig zijn).
Alle kennis voor het berekenen van de hoeveelheid te gebruiken mest vind je in paragraaf 3.1.
Op alle gronden is sprake van uitmijning van sporenelementen als gevolg van de langjarige eenzijdige bemesting met NPK. Aanvulling met b.v. gesteentemelen kan grote voordelen hebben, ook voor de gezondheid van het vee, maar op dit punt moet nog veel worden onderzocht. Een mogelijkheid is instrooien van gesteentemeel in de stal om vocht te absorberen, zodat de koeien droger blijven (hiervoor wordt ook wel kalk gebruikt, maar dat leidt tot een versnelde afbraak van de mest). Mogelijk leidt dit ook tot een verminderde uitstoot van NH3 (door snelle binding van urine). Het gesteentemeel wordt dan met de mest verspreid en op het land verder afgebroken, waarbij de sporenelementen vrijkomen.
...
Een variant hierop is het zgn. voorweiden. Het perceel wordt dan beweid tot tot 1 of 8 mei, en daarna met rust gelaten tot de uitgestelde maaidatum. De opbrengt van de eerste snede is dan duidelijk lager, maar dit wordt goedgemaakt door de directe voederopname tijdens het voorweiden. De eerste snede wordt na het voorweiden minder zwaar en dicht, er ontstaat geen holle zode en de graszode herstelt zich sneller na het maaien. Dit zou een oplossing kunnen zijn indien wordt gekozen voor een vroege bemesting met ruige strorijke mest (met voodelen voordelen voor ook de weidevogels: zie boven).
...
- drijfmest mag op zand- of lössgrond alleen in de grond worden uitgereden (injectie in sleufjes of in kuiltjes in het gras). Op klei- en veengrond mag drijfmest ook op de grond worden aangebracht, maar dan moet de mest wel meteen worden verdund met water: minimaal één deel water op twee delen mest. Dit moet bovendien per jaar bij RVO worden gemeld.
- vaste mest hoeft op grasland niet te worden ondergewerkt (hoeft dus niet ‘emissie-arm’). Dit is vooral voor de biologische landbouw van belang.
...