Versies vergeleken

Sleutel

  • Deze regel is toegevoegd.
  • Deze regel is verwijderd.
  • Formattering is gewijzigd.

...

Wat drijft die ontwikkeling aan, wat veroorzaakt die groei? Welke bewegingen bepalen de context en de condities voor die ontwikkeling en groei? En Hoe heeft die zich uit het verleden ontwikkeld, en wat is het verdere perspectief voor de biologische landbouw ?

Paneel
borderColorforestgreen
borderWidth2

In deze paragraaf leren we over de ontwikkeling van biologische landbouw. Welke factoren bepalen hoe de biologische landbouw zich ontwikkelt en groeit ?

Belangrijke factoren zijn:

  • Andere consumentenvraag;
  • Andere relaties tussen de producent en de consument;
  • Andere ideeën over landbouw;
  • Meer aandacht voor duurzaamheid;
  • Betekenis van de bio-landbouw voor de (wereld)voedselvoorziening.

Waar gaan die ontwikkelingen heen, of waar zouden ze heen moeten gaan ?

  • Perspectief voor de biologische landbouw: ‘organics 3.0’, de volgende stap.

Andere consumentenvraag

Een belangrijke aanjager is uiteraard dat steeds meer mensen geheel of gedeeltelijk kiezen voor biologische producten. Op dit moment groeit de vraag naar biologisch harder dan het aanbod (zie verder hoofdstuk 6). Wat bepaalt die veranderende keuze van consumenten, en welke veranderingen in de consumentenkeuze zijn nog te verwachten ? Een paar hoofdlijnen:

  • De voornaamste concurrent van biologisch voedsel is het goedkope niet-biologische aanbod. Het hele voedselsysteem in Nederland (productie, verwerking, distributie/retail) is uiterst efficiënt en open voor de wereldmarkt. Dat betekent relatief lage prijzen en scherpe concurrentie tussen een beperkt aantal supermarktketens. Veel voedsel wordt via ‘acties’ aangeboden. Tegen dat kiloknaller-geweld is het moeilijk concurreren.
  • Er is een sterke opkomst van allerlei keurmerken die gaan over één of enkele aspecten van ‘duurzaam’ en ‘sociaal’. Denk aan het Beter leven - keurmerk, Fair Trade (eerder bekend als Max Havelaar) en Planet Proof (eerder bekend als Milieukeur). Nederland kent erg veel van dat soort keurmerken (meer dan 100) en hun aantal groet alleen maar. Veel consumenten zien door de bomen het bos niet meer. Het biologisch keurmerk is in dat geheel niet het meest herkenbare (Beter leven en Fair Trade scoren het hoogst -cijfers 2017-). Biologisch is, zeker als het om de primaire productie gaat, wel het meest complete, en omvat veel van waar andere keurmerken over gaan (zo zijn biologisch vlees en eieren automatisch ook drie sterren Beter Leven), maar dat is voor consumenten minder zichtbaar. Zij zien wel de hogere prijs van biologisch (als ‘totaalpakket’) en de niet of relatief minder hoge prijs van producten met andere keurmerken.
  • Evengoed kiezen wel steeds meer mensen voor ‘duurzaam’. De totale omzet van producten met een duurzaamheidskeurmerk groeide in 2016 met 26%, die van biologisch in dat jaar met 8%. Biologisch was in 2016 nog wel het grootste onder deze keurmerken, maar andere (met name Beter Leven)groeiden snel. De snelle groei van de keuze voor ‘duurzaam’ betekent wel dat er een groeipotentieel is voor biologisch als ‘totaal-keurmerk’.
  • Dat groei - potentieel is niet gelijk verdeeld over de bevolking. In een recente studie (Motivaction, 2017) worden verschillende groepen onderscheiden. Er is een kopgroep van zo’n 11% (jong - stedelijk) die al overwegend ‘duurzaam’ koopt. Er is een groep ‘welwillenden’, zo’n 15% (hoger opgeleid, hoger inkomen, ook ouderen) die wel nadenken over duurzame keuzes, maar die nog niet altijd maken. Een grote groep ‘twijfelaars’ (35%) denkt er wel eens over maar doet er niet veel mee. Zo’n 29% is ‘onbewust’(veel middelbaar opgeleid, niet-stedelijk): niet bezig met duurzame keuzes, vaak ongezond voedingspatroon. 10% (vaak lager opgeleide mannen) is sceptisch en wijst duurzame keuzes botweg af. Groei van biologisch op korte termijn lijkt vooral mogelijk binnen de ‘koplopers’en de ‘welwillenden’, samen zo’n 25% van de bevolking. Uiteraard is dat geen gegeven voor altijd: veel hangt af van de prijsontwikkeling en positionering van biologisch in de nabije toekomst.
  • Dat groeipotentieel komt overeen met de schatting dat zo’n 25% van de bevolking ‘wel eens’ tot ‘vaak’ iets biologisch koopt. Echter, zelfs de kopgroep van deze biologische kopers koopt niet alles biologisch, en de meesten (90%) af en toe of met enige regelmaat. Er is bijna altijd concurrentie met ‘gangbaar’ en met andere keurmerken. Het totale marktaandeel van biologische producten (3,2% in 2017) is de optelsom van deze af-en-toe tot vaak - keuzes.
  • Waarom kopen mensen een biologisch product, en waarom zouden ze dat vaker doen ? Er zijn ‘ik-betrokken’ motieven (beter voor de gezondheid, smakelijker e.d.) en ‘ander/wereld-betrokken’ motieven (dierenleed/dierenwelzijn, duurzaamheid, natuur e.d., sociale rechtvaardigheid). Volgens het onderzoek van Motivaction (zie hierboven) geven alleen in de koplopergroep wereld-betrokken motieven (vooral natuur, dierenwelzijn en milieu) de doorslag. In de groep ‘welwillenden’ scoort gezondheid het hoogst maar spelen de wereld-betrokken motieven ook hoog. De twijfelaars herkennen dezelfde motieven, maar laten zich er minder door leiden, wantrouwen ook vaker informatie over duurzaamheid en de keurmerken. De ‘onbewusten’ zijn er vooral niet mee bezig, en hechten ook sterk aan wat ze gewend zijn. De sceptici koesteren het meeste wantrouwen, hechten aan traditie en laten zich vooral door de prijs leiden. Maar: in alle groepen speelt prijs een rol in de afwegingen die mensen uiteindelijk maken.

Het beeld dat hieruit naar voren komt is minder somber dan het op het eerste gezicht lijkt. De totale omzet van biologische voedingsmiddelen, nu zo’n 3,3% van het totaal (cijfer 2018 P.M., volgt), groeit harder dan de totale omzet van voedingsmiddelen. De groei van de productie houdt deze met moeite bij. Er is nog veel meer groei mogelijk als biologisch duidelijk weet te maken dat het in feite heel veel van de ‘single issue’ keurmerken omvat, en als het prijsverschil met ‘gangbaar’ minder wordt. Dat prijsverschil kan minder door beter verrekenen van externe effecten in de prijs (True Pricing, zie bij Billijkheid als principe, 1.2), maar ook door efficiënte productie en een goed geprijsd pakket basisproducten. Daarover gaat het in deze wiki.

Andere relaties producent - consument/burger

Mensen kiezen niet alleen voor andere producten maar ook voor een andere relatie met het product en met de producent: meer binnen een herkenbare schaal, binnen herkenbare relaties, met meer transparantie over productie en verwerking. Al in de jaren ’70 werd het gebruikelijk om de naam van de boer of tuinder te vermelden bij het product in de bio-winkel; dat was toen, en is nog, in de gangbare verwerking en handel ondenkbaar (behalve voor zogenaamde ‘ambachtelijke’ niche-producten). Er ontstaat zo een relatie tussen producent en consument. Veel biologische bedrijven doen ook mee aan open dagen of halen op een andere manier burgers/consumenten naar hun bedrijf.

Juist in de biologische sector wordt geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsvormen, met meer en andere betrokkenheid van de consument/burger. Een voorbeeld zijn de CSA-bedrijven (Consumer Supported Agriculture), bedrijven die een vaste relatie aangaan met een kring consumenten, of zelfs een vorm van mede-eigenaarschap kennen. Andere bedrijven bieden zelf voedselpakketten aan en distribueren deze zelf, runnen een eigen bedrijfswinkel of bieden naast het primaire bedrijf andere producten en diensten aan (bijvoorbeeld kinderopslag, recreatie) en baseren daar een deel van hun verdienmodel op (multifunctionele landbouw). Er zijn zeker ook gangbare bedrijven die dit oppakken, vaak ook uit economische noodzaak (noodzaak van neveninkomsten), maar juist voor biologische boeren zijn openheid (‘het kunnen uitleggen’) en korte lijnen met de klant van groot belang.

Image Removed

Visies: andere ideeën over landbouw

De ontwikkeling van de biologische landbouw zou niet mogelijk zijn geweest zonder bevlogen en idealistische mannen en vrouwen, die zagen dat het anders moet en het ook deden. Pas vanaf de jaren 70 en 80 gaan ook zakelijke motieven voor schakeling een grote rol spelen.

De biologische landbouw (in Nederland) is gestart vanuit de biologisch-dynamische landbouw. Die is gebaseerd op de zogenaamde landbouwcursus (1924) van Rudolf Steiner, grondlegger van de antroposofische filosofie. Dit was één van de eerste ‘alternatieve’ visies op de landbouw in al zijn aspecten. In 1926 werd het eerste biologische bedrijf in Nederland opgericht door Maria Tak van Poortvliet in de geest van deze landbouwcursus: de ‘Cultuurmaatschappij NV Loverendale’ op Walcheren in Zeeland, in gewijzigde rechtsvorm nog steeds bestaand. Tot de jaren 70 is slechts een klein aantal biologisch-dynamische bedrijven actief, voor een kleine groep consumenten, vaak in directe relatie met de producenten via de zogenaamde consumentenkringen.

De biologisch-dynamische (BD) beweging zorgde ook voor de eerste opleiding voor de biologische landbouw: het Warmonderhof, in 1947 gestart als particuliere school, in 1960 erkend als Rijks Middelbare Land- en Tuinbouwschool, sinds 1994 in Dronten gevestigd en nu nog actief als Aeres MBO Dronten.

Pas vanaf de jaren 60 zien we de opkomst van een nieuw type bedrijven dat zich niet BD noemt. Dit hangt samen met de opkomst van de milieubeweging en van een groep burgers (vooral jongeren) die kritisch staat tegenover de zich ontwikkelende consumptie-maatschappij. Belangrijk keerpunt was het verschijnen van het boek Silent Spring van Rachel Carson in 1962. Zij maakte als eerste de verwoestende effecten van het gebruik van pesticiden zoals DDT voor een groot publiek kenbaar. Vanaf die tijd ontstaan nieuwe biologische bedrijven die zich niet afficheren als biologisch-dynamisch. De motieven van deze nieuwe ondernemers komen veeleer voort uit zorg over de negatieve effecten op natuur en milieu van de (toen) gangbare landbouw, verlies van bodemvruchtbaarheid, schaalvergroting en dergelijke. Vaak kleine bedrijven, opgezet door mensen zonder wortels in de landbouw. Zij vonden een nieuwe markt in de ‘alternatieve’ winkeltjes voor ‘natuurlijke’ voeding die in de grote steden opkwamen. Geleidelijk ontwikkelde zich ook groothandel en kwam er een eigen certificatie voor biologische (niet-BD) land- en tuinbouw. Zo professionaliseerde de biologische landbouw en zetten de groei in gang die we nog steeds zien.

P.M. geschiedenis EKO-certificaat, invoering Europees keurmerk

...

een stukje geschiedenis: van andere ideeën over landbouw naar zakelijkheid

De ontwikkeling van de biologische landbouw zou niet mogelijk zijn geweest zonder bevlogen en idealistische mannen en vrouwen, die zagen dat het anders moet en het ook deden. Pas vanaf de jaren '70 en '80 gaan ook zakelijke motieven voor omschakeling een grote rol spelen.

De biologische landbouw (in Nederland) is gestart vanuit de biologisch-dynamische landbouw. Die is gebaseerd op de zogenaamde landbouwcursus (1924) van Rudolf Steiner, grondlegger van de antroposofische filosofie. Dit was één van de eerste ‘alternatieve’ visies op de landbouw in al zijn aspecten. In 1926 werd het eerste biologische bedrijf in Nederland opgericht door Maria Tak van Poortvliet in de geest van deze landbouwcursus: de ‘Cultuurmaatschappij NV Loverendale’ op Walcheren in Zeeland, in gewijzigde rechtsvorm nog steeds bestaand. Tot de jaren '70 is slechts een klein aantal biologisch-dynamische bedrijven actief, voor een kleine groep consumenten, vaak in directe relatie met de producenten via de zogenaamde consumentenkringen.

De biologisch-dynamische (BD) beweging zorgde ook voor de eerste opleiding voor de biologische landbouw: het Warmonderhof, in 1947 gestart als particuliere school, in 1960 erkend als Rijks Middelbare Land- en Tuinbouwschool, sinds 1994 in Dronten gevestigd en nu nog actief als Aeres MBO Dronten.

Pas vanaf de jaren 60 zien we de opkomst van een nieuw type bedrijven dat zich niet BD noemt. Dit hangt samen met de opkomst van de milieubeweging en van een groep burgers (vooral jongeren) die kritisch staat tegenover de zich ontwikkelende consumptie-maatschappij. Belangrijk keerpunt was het verschijnen van het boek Silent Spring van Rachel Carson in 1962. Zij maakte als eerste de verwoestende effecten van het gebruik van pesticiden zoals DDT voor een groot publiek kenbaar. Vanaf die tijd ontstaan nieuwe biologische bedrijven die zich niet afficheren als biologisch-dynamisch. De motieven van deze nieuwe ondernemers komen veeleer voort uit zorg over de negatieve effecten op natuur en milieu van de (toen) gangbare landbouw: sterfte van vogels en vissen, verlies van bodemvruchtbaarheid, schaalvergroting en dergelijke. Vaak waren dat kleine bedrijven, opgezet door mensen zonder wortels in de landbouw. Zij vonden een nieuwe markt in de ‘alternatieve’ winkeltjes voor ‘natuurlijke’ voeding die in de grote steden opkwamen. Geleidelijk ontwikkelde zich ook groothandel en kwam er een eigen certificatie voor biologische (niet-BD) land- en tuinbouw. Zo professionaliseerde de biologische landbouw en zetten de groei in gang die we nog steeds zien.

P.M. geschiedenis EKO-certificaat, invoering Europees keurmerk

Met de groei, in aantal bedrijven, biologisch areaal en schaal van de bedrijven, gaan ook zakelijke motieven voor omschakeling een rol spelen. Biologische landbouw kan een keuze zijn wanneer grondsoort en andere omstandigheden een intensieve bedrijfsvoering in de weg staan. Een ander voorbeeld is het grote aantal omschakelaars in de jaren na de afschaffing van het melk-quotum, toen de melkprijs in de gangbare sector inzakte, maar in de biologische sector overeind bleef. In die jaren (2016, 2017) was er zelfs niet altijd plaats voor nieuwe toetreders bij de grote verwerkers van bio-melk. Maar hoe zakelijk ook de afwegingen, meestal spelen idealisme, het gevoel 'dat het anders moet' en een idee welke kant het dan wél op moet, een rol bij het omschakelen of bij het volhouden als biologische boer. Veel nieuwe bio-boeren hebben bij voorbeeld al een achtergrond in agrarisch natuurbeheer, of waren al bezig om de omgang met hun beesten anders aan te pakken. Biologisch is dan de logische volgende stap, en de stap die zorgt voor waardering. in de vorm van de hogere prijs voor biologische producten. In paragraaf 1.4 gaan we nog verder in op de motieven om te kiezen voor biologisch.

Andere consumentenvraag

Een belangrijke aanjager van de groei is uiteraard dat steeds meer mensen kiezen voor biologische producten. Op dit moment groeit de vraag naar biologisch harder dan het aanbod (zie verder hoofdstuk 6). Wat bepaalt die veranderende keuze van consumenten, en welke veranderingen in de consumentenkeuze zijn nog te verwachten ? Een paar hoofdlijnen:

  • De voornaamste concurrent van biologisch voedsel is het goedkope niet-biologische aanbod. Het hele voedselsysteem in Nederland (productie, verwerking, distributie/retail) is uiterst efficiënt en open voor de wereldmarkt. Dat betekent relatief lage prijzen en scherpe concurrentie tussen een beperkt aantal supermarktketens. Veel voedsel wordt via ‘acties’ aangeboden. Tegen dat kiloknaller-geweld is het moeilijk concurreren.
  • Er is een sterke opkomst van allerlei keurmerken die gaan over één of enkele aspecten van ‘duurzaam’ en ‘sociaal’. Denk aan het Beter leven - keurmerk, Fair Trade (eerder bekend als Max Havelaar) en Planet Proof (eerder bekend als Milieukeur). Nederland kent erg veel van dat soort keurmerken (meer dan 100) en hun aantal groet alleen maar. Veel consumenten zien door de bomen het bos niet meer. Het biologisch keurmerk is in dat geheel niet het meest herkenbare (Beter leven en Fair Trade scoren het hoogst -cijfers 2017-). Biologisch is, zeker als het om de primaire productie gaat, wel het meest complete, en omvat veel van waar andere keurmerken over gaan (zo zijn biologisch vlees en eieren automatisch ook drie sterren Beter Leven), maar dat is voor consumenten minder zichtbaar. Zij zien wel de hogere prijs van biologisch (als ‘totaalpakket’) en de niet of relatief minder hoge prijs van producten met andere keurmerken.
  • Evengoed kiezen wel steeds meer mensen voor ‘duurzaam’. De totale omzet van producten met een duurzaamheidskeurmerk groeide in 2016 met 26%, die van biologisch in dat jaar met 8%. Biologisch was in 2016 nog wel het grootste onder deze keurmerken, maar andere (met name Beter Leven)groeiden snel. De snelle groei van de keuze voor ‘duurzaam’ betekent wel dat er een groeipotentieel is voor biologisch als ‘totaal-keurmerk’.
  • Dat groei - potentieel is niet gelijk verdeeld over de bevolking. In een recente studie (Motivaction, 2017) worden verschillende groepen onderscheiden. Er is een kopgroep van zo’n 11% (jong - stedelijk) die al overwegend ‘duurzaam’ koopt. Er is een groep ‘welwillenden’, zo’n 15% (hoger opgeleid, hoger inkomen, ook ouderen) die wel nadenken over duurzame keuzes, maar die nog niet altijd maken. Een grote groep ‘twijfelaars’ (35%) denkt er wel eens over maar doet er niet veel mee. Zo’n 29% is ‘onbewust’(veel middelbaar opgeleid, niet-stedelijk): niet bezig met duurzame keuzes, vaak ongezond voedingspatroon. 10% (vaak lager opgeleide mannen) is sceptisch en wijst duurzame keuzes botweg af. Groei van biologisch op korte termijn lijkt vooral mogelijk binnen de ‘koplopers’en de ‘welwillenden’, samen zo’n 25% van de bevolking. Uiteraard is dat geen gegeven voor altijd: veel hangt af van de prijsontwikkeling en positionering van biologisch in de nabije toekomst.
  • Dat groeipotentieel komt overeen met de schatting dat zo’n 25% van de bevolking ‘wel eens’ tot ‘vaak’ iets biologisch koopt. Echter, zelfs de kopgroep van deze biologische kopers koopt niet alles biologisch, en de meesten (90%) af en toe of met enige regelmaat. Er is bijna altijd concurrentie met ‘gangbaar’ en met andere keurmerken. Het totale marktaandeel van biologische producten (3,2% in 2017) is de optelsom van deze af-en-toe tot vaak - keuzes.
  • Waarom kopen mensen een biologisch product, en waarom zouden ze dat vaker doen ? Er zijn ‘ik-betrokken’ motieven (beter voor de gezondheid, smakelijker e.d.) en ‘ander/wereld-betrokken’ motieven (dierenleed/dierenwelzijn, duurzaamheid, natuur e.d., sociale rechtvaardigheid). Volgens het onderzoek van Motivaction (zie hierboven) geven alleen in de koplopergroep wereld-betrokken motieven (vooral natuur, dierenwelzijn en milieu) de doorslag. In de groep ‘welwillenden’ scoort gezondheid het hoogst maar spelen de wereld-betrokken motieven ook hoog. De twijfelaars herkennen dezelfde motieven, maar laten zich er minder door leiden, wantrouwen ook vaker informatie over duurzaamheid en de keurmerken. De ‘onbewusten’ zijn er vooral niet mee bezig, en hechten ook sterk aan wat ze gewend zijn. De sceptici koesteren het meeste wantrouwen, hechten aan traditie en laten zich vooral door de prijs leiden. Maar: in alle groepen speelt prijs een rol in de afwegingen die mensen uiteindelijk maken.

Het beeld dat hieruit naar voren komt is minder somber dan het op het eerste gezicht lijkt. De totale omzet van biologische voedingsmiddelen, nu zo’n 3,3% van het totaal (cijfer 2018 P.M., volgt), groeit harder dan de totale omzet van voedingsmiddelen. De groei van de productie houdt deze met moeite bij. Er is nog veel meer groei mogelijk als biologisch duidelijk weet te maken dat het in feite heel veel van de ‘single issue’ keurmerken omvat, en als het prijsverschil met ‘gangbaar’ minder wordt. Dat prijsverschil kan minder door beter verrekenen van externe effecten in de prijs (True Pricing, zie bij Billijkheid als principe, 1.2), maar ook door efficiënte productie en een goed geprijsd pakket basisproducten. Daarover gaat het in deze wiki.

Andere relaties producent - consument/burger

Mensen kiezen niet alleen voor andere producten maar ook voor een andere relatie met het product en met de producent: meer binnen een herkenbare schaal, binnen herkenbare relaties, met meer transparantie over productie en verwerking. Al in de jaren ’70 werd het gebruikelijk om de naam van de boer of tuinder te vermelden bij het product in de bio-winkel; dat was toen, en is nog, in de gangbare verwerking en handel ondenkbaar (behalve voor zogenaamde ‘ambachtelijke’ niche-producten). Er ontstaat zo een relatie tussen producent en consument. Veel biologische bedrijven doen ook mee aan open dagen of halen op een andere manier burgers/consumenten naar hun bedrijf.

Juist in de biologische sector wordt geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsvormen, met meer en andere betrokkenheid van de consument/burger. Een voorbeeld zijn de CSA-bedrijven (Consumer Supported Agriculture), bedrijven die een vaste relatie aangaan met een kring consumenten, of zelfs een vorm van mede-eigenaarschap kennen. Andere bedrijven bieden zelf voedselpakketten aan en distribueren deze zelf, runnen een eigen bedrijfswinkel of bieden naast het primaire bedrijf andere producten en diensten aan (bijvoorbeeld kinderopslag, recreatie) en baseren daar een deel van hun verdienmodel op (multifunctionele landbouw). Er zijn zeker ook gangbare bedrijven die dit oppakken, vaak ook uit economische noodzaak (noodzaak van neveninkomsten), maar juist voor biologische boeren zijn openheid (‘het kunnen uitleggen’) en korte lijnen met de klant van groot belang.

Image Added

Biologisch en duurzaamheid: is biologisch altijd beter?

...