Versies vergeleken

Sleutel

  • Deze regel is toegevoegd.
  • Deze regel is verwijderd.
  • Formattering is gewijzigd.

...

Welke motieven leiden tot welke keuzes?

Image Added

Ongeacht alle verschillen in opvattingen: alle biologisch werkende boeren delen, meer of minder bewust, het denken en werken vanuit een systeem. Biologisch werken betekent altijd sturen op samenhang: tussen bodem en gewas, tussen mogelijke plaaginsecten en hun natuurlijke vijanden, tussen alle componenten van de kringloop enzovoort. Dat betekent altijd werken vanuit een ecologisch beeld: het landbouwbedrijf, breder het landbouwsysteem, als werkend en levend ecosysteem.

Verschil is wel of ook nog andere samenhangen worden herkend en erkend. Biologisch-dynamische (BD) boeren gaan ook uit van samenhangen met en in de totale cosmos. Zo wordt ervan uitgegaan dat de stand van de planeten in de dierenriem de groei van het gewas beïnvloedt; daarmee wordt rekening gehouden bij de grondbewerking en bij zaaien en planten (zaaikalender). Ook met andere metaphysische (niet met de gangbare natuurkunde meetbare) krachten wordt rekening gehouden. Die opvattingen zijn ontleend aan het antroposofische mens- en wereldbeeld. De keuze voor BD inspireert tot een verdieping van de opvattingen over het ecologisch model; veel BD-bedrijven zijn voorloper-bedrijven binnen de biologische sector. Ook de regels voor dierenwelzijn zijn strenger dan die voor standaard-Bio; zo is het onthoornen van koeien verboden.

Systeemdenken bepaalt ook een grotere aandacht voor de hele keten van primaire productie, handel en verwerking en afzet (retail). Alleen als alle schakels in de keten biologisch werken, en dat elkaar kunnen garanderen, is het eindproduct voor de consument gegarandeerd biologisch en kan de hogere prijs voor biologische producten worden gehandhaafd.. Daarin past niet alleen concurrentie maar ook samenwerking om elke schakel levensvatbaar te maken en te houden. Die bereidheid tot samenwerking, en dus tot openheid naar andere ketenpartners en verdere omgeving, moet je wel hebben. Een pure ‘erfdenker’ heeft het moeilijk in de bio-landbouw. Maar verschillen zijn hier wel: zo gaat de biologisch-dynamische sector ook hierin verder, met bijvoorbeeld een stelsel van teeltafspraken, dus een andere relatie producent - handel - consument.

Tot slot: biologische boeren hebben vaak, maar lang niet altijd, meer oog voor culturele waarden die zich niet onmiddellijk in productie en prijs vertalen: het historisch gegroeide landschap en de waarden die daarmee verbonden zijn, historische bouw, omringende natuur. Zij aanvaarden makkelijker de beperkingen die dat voor hun bedrijf oplevert, maar ook: zij proberen de waarden hiervan voor hun bedrijf te optimaliseren (een beweging die ook in de gangbare landbouw opkomt: natuurinclusieve landbouw). Veel biologische bedrijven bevinden zich in kwetsbare landschappen (b.v. Natura-2000), pachten natuurgronden of hebben andere ‘handicaps’. Veel bio-boeren zijn actief in agrarische natuurverenigingen, doen iets extra’s voor de weidevogels, zorgen voor ‘begeleidende natuur’ (bloeiende akkerranden, kleine landschapselementen als houtwallen e.d.). Het is belangrijk om voor jezelf te bepalen hoe belangrijk je dit vindt en wat past in de omgeving van je eigen bedrijf.

Image Added

Uiteindelijk: je moet het willen. Welke opvattingen, welke waarden, welk mens- en maatschappijbeeld spelen mee bij die keuze, als  ‘onder de streep’ alle duurzaamheidsaspecten en zakelijke voor- en nadelen netjes op een rijtje staan?

Je hoort vaak dat biologische landbouw ‘meer natuurlijk’ is en alleen al daarom de voorkeur heeft. Nu is ‘natuurlijk’ een lastig begrip. Het basisidee ‘biologische landbouw is (meer) natuurlijk’ geeft onvoldoende houvast. Ieder landbouwsysteem is een vergaande ingreep op de natuur, een manipulatie van het ecosysteem zoals dat zonder menselijke aanwezigheid zou zijn. Ieder landbouwsysteem, ook het biologische, betekent een veel armer ecosysteem dan het natuurlijke, in termen van soortenrijkdom en diversiteit. Maar er zijn wel keuzes mogelijk in de manier waarop en de mate waarin. Daar gaat het om bij de keuze voor biologisch.

Wie kiest voor biologische landbouw heeft vaak het gevoel dat je dichter bij natuurlijke processen kunt blijven, dat denken vanuit het ecosysteem uiteindelijk veiliger is en meer opbrengt. Biologisch werken is dan ‘weloverwogen manipuleren van het ecosysteem’. Daarin is het voorzorg-principe herkenbaar (niet ingrijpen, tenzij …..), maar vooral meer vertrouwen: in je vermogen het ecosysteem op en rond het bedrijf zo te beheersen dat het rendeert op alle waarden (voedsel, winst, maar ook landschap, biodiversiteit). In de gangbare landbouw staat het denken vanuit interventies voorop: produceren door alle productiefactoren te beheersen met technische en chemische ingrepen.

De mentaliteit van een bio-boer is daarmee vaak wat meer holistisch (durven denken vanuit het geheel en alle samenhangen daarbinnen) en ‘zacht’ (begeleidend, bijsturend), die van gangbare ondernemers meer analytisch (denken en handelen vanuit afzonderlijke factoren) en ‘hard’ (beheersend). Daarbij past ook een verschillend omgaan met risico’s: wat durf je los te laten, hoeveel vertrouwen durf je te hebben in het ecosysteem dat je op je bedrijf laat werken? Omgaan met angst speelt ook een rol: de oerangst voor schaarste en gebrek (vanuit het verleden al te begrijpelijk), en de angst voor verlies van grip en beheersing. Er is vertrouwen nodig, in het ecologisch systeem en in je eigen kennis en beheersing daarvan, om iets van die angst los te laten en af te zien van ‘harde’ interventies.

Daaronder en daarboven zitten vaak levensbeschouwelijke opvattingen, opvattingen over de mens en zijn plaats in de natuur of schepping en de waarden die daarbij horen.

Vanuit de Christelijke traditie is er enerzijds het beeld van de aarde die de mens is gegeven ‘om te bewerken en te bewaren’, ofwel de schepping is er uiteindelijk voor de mens. Anderzijds is er de opvatting van rentmeesterschap, waarin de mens weliswaar de aarde heeft ‘gekregen’, maar wel om er zorgvuldig mee om te gaan en om deze voor toekomstige generaties te bewaren.

De eerste opvatting heeft sterk bijgedragen aan een overwegend utilitaire omgang met de natuur: in principe zonder grenzen gebruiken voor en door de mens. Die opvatting lijkt haar vervolg te hebben in de moderne, seculiere en liberale, opvatting van de natuur als een verzameling productiefactoren, waarvan het gebruik vooral door de markt wordt bepaald. Zoals Marx schreef: ‘Alles van waarde wordt tot waar.’ In die traditie past de gangbare landbouw naadloos.

Biologische boeren plaatsen zich vaak in de andere traditie, denken vanuit rentmeesterschap. Ook in die traditie staat de mens centraal, maar krijgt de mens wel een opdracht tot zorgvuldigheid, tot bewaren en doorgeven. Daarin past geen overexploitatie en onvoldoende oog voor houdbaarheid op langere termijn. Denken in termen van duurzaamheid past goed in die traditie, komt er ook deels uit voort.

Een stap verder is het loslaten van het kijken en denken vanuit alleen de mens, ofwel het gedeeltelijk loslaten van het antropocentrische wereldbeeld. De ‘natuur buiten de mens’ krijgt dan een eigen waarde, mag bestaan los van het nut voor de mens. Het gaat dan niet alleen om natuurgebieden maar ook om ‘omringende’ en ‘begeleidende’ natuur op en rond het bedrijf. Een biologische boer kiest er, al dan niet bewust, voor om een stukje productie te laten liggen om meer biodiversiteit op zijn bedrijf toe te laten. Een stapje verder kan de keuze zijn om een deel van het bedrijf aan meer of minder natuurlijke elementen over te laten: bloeiende akkerranden, een overhoek die mag verwilderen, boomgroepen of hagen enz. Een keuze die overigens ook gangbare boeren kunnen maken; de beweging naar een meer natuurinclusieve landbouw gaat daarover. Zulke ‘begeleidende natuur’ levert ‘ecosysteemdiensten’, zoals in het geval van functionele agrobiodiversiteit, maar kan en mag ook een waarde in zich vertegenwoordigen. Ze draagt bovendien bij aan natuurbehoud door als ‘brug’ tussen natuurgebieden te fungeren. Bijdragen aan behoud van traditionele landschappen kan vanuit die zelfde opvatting een goede keuze zijn. Hun waarde is dan niet alleen in nut (b.v. meer toeristen) uit te drukken: je herkent en erkent de ‘waarde in zich’.

Hoe dan ook kiezen biologische boeren ervoor om aan de landbouwhuisdieren op hun bedrijf, of in de bedrijfsketen, meer eigen waarde toe te kennen en niet alleen te bezien vanuit hun nut. Daarom gunnen zij hen meer mogelijkheden voor natuurlijk gedrag, door meer leefruimte en en door de meeste ingrepen zoals het couperen van staarten achterwege te laten. Die waarde is zelfs vastgelegd in de regelgeving voor de biologische landbouw. Ook dit betekent: een stukje productie laten liggen omdat je de eigen waarde van de productiefactor (het dier) erkent.

Ook biologische boeren kiezen en handelen dus vanuit verschillende motieven, en kunnen dus ook meer of minder ‘diep’ gaan in de invulling van biologisch. Heel wat biologische ondernemers passen de regels voor de biologische bedrijfsvoering toe maar blijven zo dicht mogelijk bij het gangbare bedrijfsmodel. Anderen laten meer waarden toe in hun afwegingen en verdiepen hun opvatting van biologisch. Zij ontwikkelen zich dan bij voorbeeld meer naar het model van natuurinclusieve landbouw, of ze besteden extra aandacht aan sociale en culturele waarden. Het EKO-keurmerk honoreert de inspanningen van boeren die een stapje verder willen dan alleen bio, en zich ook inspannen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (zie verder hoofdstuk 5). Internationaal is dit herkenbaar in het model Organics 3.0, waarin een vergaande integratie van waarden leidt tot een duurzaam en sociaal organisch voedselsysteem op wereldschaal (zie paragraaf 1.3).