...
Biologische veehouders doen het allemaal net even anders. Zij houden daarbij rekening met
De regels voor de biologische landbouw wat betreft het voeder voor de verschillende diergroepen;
Een groter aandeel ruwvoer en voer van eigen bedrijf (deels als gevolg van deze regels en van de regels voor beweiding en uitloop);
Een andere samenstelling van het voeder, vooral een iets lager eiwitgehalte als gevolg van een lager niveau van N-bemesting;
De kwaliteit van de mest, die in de kringloop met de plantaardige sector een belangrijke grondstof is. Een bio-boer let niet alleen op wat erin gaat maar ook op wat eruit komt !
Belangrijk principe bij de samenstelling van het rantsoen is: niet sturen op het aanbod van eiwit maar op de benutting ervan. Door te optimaliseren op eiwit-benutting kan de bio-boer een goede productie halen met minder N-bemesting en zonder (of met veel minder) van ver aangevoerd krachtvoer. Dat draagt ook bij aan de vermindering van stikstofemissies, want minder efficiënte benutting van het eiwit in het voer vertaalt zich direct in meer uitstoot van N in mest en urine.
...
De SKAL-regels voor de melkveehouderij houden in hoofdlijn in:
Zoveel mogelijk weidegang: de koeien moeten altijd naar buiten kunnen, tenzij dit door weers-, bodem- en/of gezondsheidsomstandigheden niet kan. Dat betekent ook een groot aandeel vers gras in het rantsoen.
Het voeder, zowel ruwvoer (gras) als krachtvoer, is 100% van biologische herkomst. Wel is in het krachtvoer een aantal niet-biologische (vaak ook abiotische) hulpstoffen toegestaan.
Diervoeders moeten GMO vrij geproduceerd zijn.
Diervoeders mogen geen antibiotica, medicinale stoffen en groeibevorderaars bevatten.
Ten hoogste 40% van het rantsoen bestaat uit krachtvoer, minstens 60% uit ruwvoer, dus vers gras, kuilgras, hooi e.d.. Voor de BD-melkveehouderij geldt de aanvullende eis (niet van SKAL) dat gedurende staldagen ten minste 3 kg DS uit hooi wordt gevoerd (als dat niet mogelijk is: uit vervangend gekuild voer).
Minimaal 60% van het voer is van eigen bedrijf of is afkomstig uit de regio. Voor bedrijven met Eko-keurmerk geldt als aanvullende norm dat krachtvoer voor 100% van Europese herkomst moet zijn.
Er gelden aparte (nogal gecompliceerde) regels voor het gebruik van voer dat wordt gewonnen tijdens de periode van omschakeling.
...
De SKAL-regels voor voeder in de varkenshouderij zijn in hoofdlijn:
varkens moeten een uitloop hebben (zie verder par. 4.2), maar deze hoeft niet begroeid te zijn met voor varkens eetbaar gewas. Er is dus geen verplicht aandeel vers ruwvoer in het rantsoen.
voer is van biologische herkomst. Voercomponenten van agrarische oorsprong, zoals melasse, wei, suiker, suikerbietenpulp en meel van granen, moeten biologisch zijn. Echter: voorlopig mag 5% van het diervoer nog bestaan uit gangbare ingrediënten, uitsluitend als aanvulling op het eiwit in diervoer.
Wel is in het voer een aantal niet-biologische (vaak ook abiotische) hulpstoffen toegestaan (dezelfde als voor de rundveehouderij).
Diervoeders moeten GMO vrij geproduceerd zijn.
Diervoeders mogen geen antibiotica, medicinale stoffen en groeibevorderaars bevatten.
Minimaal 20% van het voer moet van het eigen bedrijf of uit de regio komen.
Het dagrantsoen voor varkens moet ook ruwvoer bevatten.
Ook hier gelden aparte regels voor de periode van omschakeling.
...
De SKAL-regels voor voeder in de pluimveehouderij zijn in hoofdlijn:
Kippen moeten een uitloop hebben (zie verder par. 4.2), maar deze hoeft niet begroeid te zijn met voor kippen eetbaar gewas. Er is dus geen verplicht aandeel vers ruwvoer.
Het voer is van biologische herkomst. Echter: voorlopig mag 5% van het diervoer nog bestaan uit gangbare ingrediënten, uitsluitend als aanvulling op het eiwit in diervoer.
Wel is in het voer een aantal niet-biologische (vaak ook abiotische) hulpstoffen toegestaan (dezelfde als voor de rundveehouderij).
Diervoeders moeten GMO vrij geproduceerd zijn.
Diervoeders mogen geen antibiotica, medicinale stoffen en groeibevorderaars bevatten.
Minimaal 20% van het voer moet van het eigen bedrijf of uit de regio komen.
Ook aan het voer voor pluimvee moet ruwvoer zijn toegevoegd.
Ook hier gelden aparte regels voor de periode van omschakeling.
Schapen en geiten
De SKAL-regels voor voer voor schapen en geiten zijn dezelfden als voor de rundveehouderij. Schapen en geiten zijn ook herkauwers. De afwegingen die biologische melkveehouders w.b. rundvee maken, vooral sturen op eiwit-benutting (N-efficiëntie) gelden in grote lijnen ook voor schapen en geiten.
Informatie |
---|
Verdieping
voeren met gras, kruidenrijk grasland
eiwit van dichtbij, alternatieven voor import/inkoop van voedereiwit
Kijk zelf verder op |