De bodem is letterlijk en figuurlijk de basis van ieder biologisch bedrijf. De productiviteit van het bedrijf is in hoge mate afhankelijk van een vruchtbare levende bodem met een goede structuur. Het aloude principe van biologische landbouw is: niet de plant voeden maar de bodem. Teeltmaatregelen zijn er niet op gericht om het gewas van voldoende voeding (N, P, K, andere elementen), vocht en andere groeifactoren te voorzien maar om een bodem op te bouwen die het gewas van voldoende voeding voorziet en optimale groeivoorwaarden biedt.
Belangrijk om in te zien:
- de bodem is een belangrijke component van het 'beheerst ecosysteem' waaruit een biologisch bedrijf in de kern bestaat (zie paragraaf 1.2, ecologisch principe). De bodem voedt niet alleen het gewas maar wordt zelf ook door dat gewas gevoed, in de vorm van gewasresten, compost, groenbemesters, mest (dus door dieren omgezet gewas) en evt. aangevoerd organisch materiaal (stro, mulch-materiaal enz.). Eenzijdigheden en gebreken in de bodem vertalen zich naar het gewas en naar wat daarvan weer aan de bodem wordt teruggegeven. Dat kan ingrepen noodzakelijk maken, niet primair door de plant extra te voeden maar door de kringloop van bodem en gewas aan te vullen.
- de bodem is zelf een complex ecosysteem, een samenhangend netwerk van ontelbare vele (micro-)organismen die samen het 'bodemvoedselweb' vormen. Een aanzienlijk deel van de bodem is feitelijk levende materie. De plant, het gewas, wordt gevoed door dit bodemvoedselweb. De 'interface' tussen bodem en plant is onderdeel van dit bodemvoedselweb, met name in de vorm van schimmels die de plant op en in de wortels aantrekt (mycorrhizae). Teeltmaatregelen kunnen dit bodemvoedselweb optimaliseren maar ook verstoren. Biologische landbouw zet in op optimaliseren, gericht op de productiviteit van het specifieke gewas op het bedrijf. De gangbare landbouw heeft lang alleen oog gehad voor de afzonderlijke voedingsstoffen (N, P, K enz.), met als gevolg achteruitgang (degradatie) van de bodem en de noodzaak van steeds hogere kunstmestgiften. Ook bestrijdingsmiddelen kunnen een flinke verstoring van het bodemvoedselweb veroorzaken. Inmiddels wordt breed ingezien dat die weg uiteindelijk dood loopt en neemt de aandacht voor de bodem ook in de gangbare landbouw toe. Voor de biologische landbouw is zorg voor de bodem een bestaansvoorwaarde.
- de physische eigenschappen van de bodem, dus bodemstructuur en bewerkbaarheid, werken in de biologische landbouw hetzelfde uit als in de gangbare. Ook de structuur is echter in hoge mate afhankelijk van de levende component van de bodem, dus van het bodemvoedselweb. De biologische landbouw werkt met en door die levende component. De biologische landbouw loopt voorop in structuursparende teeltmaatregelen (vaste rijpaden, geen of minder diep kerende grondbewerking, groen en bedekt houden van de bodem e.d.) die werken doordat ze de condities voor het bodemvoedselweb optimaliseren.
In dit hoofdstuk kijken we hoe de bodem werkt op en voor een biologisch bedrijf. Eerst kijken we hoe dat bodemvoedselweb nu precies in elkaar zit en hoe het werkt om een (biologisch) bedrijf productief te houden (2.1). Daarna komen de essentiële voedingsstoffen aan de orde, en het omgaan met evt. gebreken daarvan (2.2). Wat dat praktisch betekent voor bodembewerking en teeltmaatregelen komt aan de orde in de hoofdstukken 3 (Plantaardige productie) en 4 (Dierlijke productie).
2.1 De kern: het bodemvoedselweb
P.M. tekst Marc Siepman
2.2 Beschikbaarheid van voedingsstoffen
Ook al voedt de bodem de plant, het is geen vanzelfsprekendheid dat die voeding altijd genoeg is voor een specifiek gewas op een specifieke akker of weiland en voor een specifieke fase in de groeicyclus. Landbouw is en blijft een 'beheerst ecosysteem', geoptimaliseerd voor de productie van voedsel- of voedergewassen, en dat geldt ook voor de bodem als basis ervan. Voldoende beschikbaarheid van de noodzakelijke voedingsstoffen of nutriënten is een voortdurend punt van aandacht, en vaak ook een uitdaging voor de biologische boer. Het gaat dan zowel om de zgn. macronutriënten (N, P, K, S, Mg, Ca) als om de micronutriënten (sporenelementen) B, Cl, Cu, Fe, Mn, Mo, Zn en Si. De aandacht gaat meestal uit naar de 'grote drie' N, P en K, maar de voldoende beschikbaarheid van sporenelementen is een sluipend probleem.
De voldoende beschikbaarheid van nutriënten hangt onder meer af van
- de specifieke vraag van een bepaald gewas (waaronder hier ook gras wordt bedoeld). Hierover is voldoende te vinden in de basis-leerstof van de opleidingen Teelt en Dierlijke productie.
- het 'leverend vermogen' van de bodem, ofwel hoe efficiënt het bodemvoedselweb de nutriënten opneemt, vasthoudt en vrijmaakt voor opname door de plant. Over de principes hiervan is in 2.1 al heel veel verteld, maar hoe werkt dat uit in de praktijk van de akker- en tuinbouw en het weidebeheer ?
- de verhouding, ofwel evenwicht, tussen de verschillende nutriënten in de bodem, in samenhang met de organische component. De belangrijkste:
De verhouding tussen koolstofrijk materiaal en stikstof in de bodem bepaalt de opbouw van stabiele humus in de bodem maar ook de afbraak van organisch materiaal en daarmee het beschikbaar komen van de nutriënten hieruit. In de compost- en mesthoop bepaalt de verhouding tussen 'bruin' (dood, stro-achtig) en 'groen' (levend, ook verse mest), de C/N-verhouding, samen met de beschikbaarheid van zuurstof de omzetting en de bemestingskwaliteit van het product.
De aanwezigheid van en verhouding tussen calcium en magnesium in de bodem is van grote invloed op productiviteit en kwaliteit van het gewas, ook omdat zij de beschikbaarheid van andere nutriënten beïnvloeden.
De beschikbaarheid van fosfaat hangt af van de aanwezigheid van calcium, ijzer en aluminium en van de zuurgraad en zwaarte van de bodem. In lichte, kalkarme bodems spoelt fosfaat snel uit, in zwaardere, kalkrijke, bodems wordt het vastgelegd. Het bodemleven in combinatie met de beworteling door het gewas maakt fosfaat weer mobiel en opneembaar.
Zie hiervoor de artikelen onder Verdieping. - de mogelijkheden voor aanvulling, zowel binnen de cyclus op het bedrijf (terugvoer naar de bodem) als door aanvulling 'van buiten'. Het gaat dan vooral om aanvoer en gebruik van mest en van andere organische materialen. Hiervoor zijn niet alleen landbouwkundige afwegingen aan de orde maar ook wet- en regelgeving, met name de stikstof- en fosfaatgebruiksnormen, de gebruiksruimte voor dierlijke mest en de specifieke regels voor de biologische landbouw (en daarbinnen de biologisch-dynamische landbouw).
- aanvulling met anorganische meststoffen. Dit kan nodig zijn. In de biologische landbouw is aanvullende bemesting met P, K, S, Mg en Ca in de vorm van ruwe mineralen toegestaan, om eventuele tekorten in de aanwezige kringloop aan te vullen. Deze nutriënten worden door verwering van de minerale vrijgemaakt; daarbij speelt het bodemvoedselweb weer een rol. Gebruik van mineraal gebonden N is in de biologische landbouw niet toegestaan: stikstof kan immers worden gewonnen door biologische processen (door stikstofbindende organismen in het bodemvoedselweb, door vlinderbloemigen als gewas of groenbemester).
- Aanvulling van sporenelementen, bij voorbeeld door gebruik van gesteentemeel. Van nature komen sporenelementen, maar ook een deel van de macro-nutriënten, beschikbaar door verwering van de rotsachtige ondergrond (mede door werking van het bodemvoedselweb, met name de inwerking van humuszuren). In Nederland zit de gesteentelaag meestal erg diep. Bovendien is na een eeuw van intensieve landbouw, met alleen aanvulling van N, P en K met kunstmest, de natuurlijke voorraad van vooral de micronutriënten in de bodem (de verweringslaag) in hoge mate uitgeput: de bodem is 'uitgemijnd'. Gesteentemelen zoals lavameel werken als 'vervangende rots': het bodemvoedselweb maakt er de nutriënten uit vrij door verwering. Op lichte gronden maakt gesteentemeel bovendien de structuur beter: het gedraagt zich klei-achtig.